IGB - Breda
Ja, ook bij de IGB (Internationale Gewapend
Betonbouw) heb ik ’n klein jaar gewerkt als betontekenaar. Die zaten toen
in de Willemstraat, vlak naast het vroegere Oranje Hotel. Het was trouwens best
wel een mooi gebouw, althans het interieur. Als je in de hal kwam kreeg je het
gevoel alsof je in een kerk was. Het gebouw diende in de oorlog als
hoofdkwartier voor een Duitse Militaire eenheid. Maar nu ging het over het jaar
1963, dus dat lijkt ondertussen ook wel een eeuwigheid geleden. In feite is dat
ook wel zo. Want verscheidene collega’s uit die tijd zijn al jaren
geleden overleden. Maar in werkelijkheid is de gedachte aan die tijd nog steeds
jong te noemen. Immers, het geheugen van iedereen, dus ook van mij, speelt zich
af in de tegenwoordige tijd en dat is hetgeen wat telt natuurlijk. Ik ga een
paar namen noemen van personeelsleden uit die tijd. De directeur was Ir. Mulder.
--- Even tussendoor: de oprichter van de IGB, de heer Stulemeijer,
die toen nog wel leefde, had geen directe bemoeienis meer met het bedrijf en ik
heb hem dus daar ook niet meegemaakt. --- Het was een tijd dat er een vrij
strenge orde heerste bij de IGB, die een beetje te vergelijken was met het
Leger. De heer Mulder was de absolute leider van de IGB. Een zeer streng
overkomend figuur, zoals heel zijn uiterlijk en voorkomen voor een ieder
zichtbaar en te voelen was. Een maal per week kwam hij naar de tekenkamer toe
om te kijken hoe het met het werk stond. Hij was dan omringd door een stuk of 5
andere ingenieurs, die direct onder hem stonden. Het enige wat we net niet
behoefden te doen was in de houding te springen, zodra hij zijn neus liet zien.
Drie namen van deze begeleidende ingenieurs weet ik nog te herinneren. Dat
waren Ir. Sonneveld, Ir. Santbergen (de heer Santbergen is later, toen ik daar
al weer weg was, de directeur geworden) en dan had je ook nog Ir. Robaard. De
heer Robaard was ‘chef de bureau’ van de constructieafdeling en
tevens de man die mij toen had aangenomen. Wie die andere begeleiders waren
weet ik helaas niet meer, maar ook zij zullen wel hooggeplaatste figuren zijn
geweest. Van Ir. Robaard weet ik nog dat hij in het Montensbos
woonde. Hij was ook nauw verbonden met de daar ter plaatse
Lawntennisvereniging. Het clubgebouw wat daar toen op dat complex stond was een
ontwerp van hem. Volgens mij is het intussen wel afgebroken.
Om zich een goede houding te kunnen aannemen, had
de heer Mulder altijd enkele paperassen onder zijn arm, om waarschijnlijk een
ander de indruk te laten wekken, dat hij altijd ‘werk’ bij zich
had. Zo zijn er wel meer mensen met zo’n soort houding. De meeste
tekenaars op onze afdeling hadden een HTS-diploma. Maar het was daar zeer
duidelijk: als je geen universitaire opleiding had genoten werd je geschaard
onder het gewone ‘voetvolk.’ Ikzelf was op dat moment bezig met een
schriftelijke avondopleiding op UTS-niveau. Dus ‘ken je nagaan’
onder welke categorie ik viel. Niet te omschrijven! Maar veel kon me het toen
eigenlijk allemaal niet schelen. Ik was nog jong en wist dat er vast nog wel
betere tijden zouden aanbreken. Dit alles heb ik toch nog zo’n 9 maanden
weten vol te houden en ben toen ergens anders gaan werken. Maar, eerlijk
gezegd, als tekenaars onder elkaar, was het toch wel gezellig te noemen. Omdat
er veel werknemers van buiten de stad kwamen werd de lunch meestal gebruikt bij
een café in de Boschstraat. Dat was best gezellig te noemen, want in
plaats van tussen de middag naar huis te gaan, vond ik het leuk met de hele
‘club’ mee te gaan. De pauze tussen de middag was destijds
anderhalf uur. Dus er bleef ook tijd over om een potje te biljarten en vaak
deden we daar ook toepen. De naam van het café ben ik even kwijt, maar
de naam: “Koosje” zegt mij wel iets. Het is nu bijna 45 jaar later.
Deze herinneringen zullen bij mij nooit meer vervagen. Mijn collega’s
waren toen: Op de Beek, Ir. Offringa, Prenen, Van Kaam, Bressers, Merriënboer, Braun, Christ
de Gier, Jan Woerdeman en Hazebalg. De laatste drie zijn reeds jaren geleden
overleden. Ik weet nog dat Christ de Gier destijds in
de Dr. Struyckenstraat woonde en altijd op de solex
reed. Op de Beek woonde in de Graaf Hendrik-III-laan, Prenen woonde in de
Postiljonstraat en Bressers kwam van Tilburg. Wat ik aan Bressers welk leuk
vond: hij had ‘knalrood’ haar. Dat niet alleen, maar als hij boos
werd en dat gebeurde nogal eens, werd zijn gezicht ook heel erg rood en leek
het erop of de zon ging schijnen. Veel later kwam ik Braun nog tegen bij een
ander bedrijf in Zwijndrecht. Hij woonde toen inmiddels in Dorst. Zelfs Ir.
A.A.M. Snellen, mijn latere werkgever uit de Burgemeester Pastoorsstraat, heeft
nog een ‘blauwe maandag’ bij de IGB gewerkt. Ook Ir. J. Zonneveld,
welke later mijn werkgever werd uit Rotterdam werkte eens bij de IGB. Bijna zou
ik durven zeggen: “welke ingenieur heeft er niet in die periode bij de
IGB gewerkt en ging er met de nodige problemen weer weg?” Als heden ten
dage een werkgever zo om zou gaan met zijn werknemers, zou het snel gebeurd
zijn met zo’n bedrijf. Want niemand ‘pikt’ nog dingen, zoals
ze in die tijd ‘schering en inslag’ waren en ik heb zelfs niet eens
de voornaamste details vernoemd. Maar ja, dat hoeft ook helemaal niet meer, het
is te lang geleden!
Kees Wittenbols.
Mei 2007
Ga naar: Ingenieursbureau
Kellermann - Rotterdam