Die Vlamingen gebruiken de Nederlandse taal toch wel een stuk beter
dan wij.
Neem het volgende
voorbeeld en dat in de 4e klas van de basisschool (groep 6).
De leraar legt aan de klas
uit wat het verschil is tussen een tragedie en een accident (ongeluk).
Na de benodigde uitleg
vraagt de leraar aan een der leerlingen hem eens uit te leggen wat hij nou
precies bedoeld heeft
en dat met een gefingeerd voorbeeld uit de
praktijk.
“Wel,” zegt de leerling,
“stel: mijn beste vriend steekt de straat over en wordt aangereden en hij
blijkt overleden te zijn.
Dat noem ik een tragedie.”
“Fout, fout” zegt de
leraar.
“Dat is nou een typisch voorbeeld van een
accident” (ongeluk).
Een ander doet een poging.
Nu een meisje en zij
stelt, dat bijvoorbeeld een autobus met vijftig leerlingen op schoolreisje in
een ravijn rijdt
en op slag zijn alle vijftig inzittenden plus
de chauffeur om het leven gekomen.
“Dat is dus een tragedie.”
“Neen,” zegt de leraar,
“dat is geen tragedie, dat is een groot accident of ongeluk, weliswaar een zeer
groot verlies maar nog geen tragedie.”
Hierop vraagt de leraar
wie er dan wél een voorbeeld van een tragedie kan geven.
Zegt Jantje, meestal niet
de allerslimste van de klas:
“stel: de Amerikaanse president Bush vliegt
met zijn hele familie in de Airforce One
en plots wordt dat vliegtuig geraakt door een
raket,
afgeschoten door de groep van Osama Bin Laden,
met als gevolg van die raket komen alle inzittenden om het leven.”
“Kijk,” zegt Jantje, “dát
is een tragedie!”
“Helemaal fout,” zegt de
leraar.
“Het klopt weliswaar, dat het geen accident is
of ongeluk en het is zeker ook geen groot verlies,
maar om zoiets nou een tragedie te noemen is
wel heel erg overdreven.
Een tragedie wordt het pas
als Bush het zou overleven.”
“Snapt ge nu wat ik bedoel?”