De paterskerk aan de Schorsmolenstraat
Ja, die paterskerk, dat was een begrip in de
wijk, maar niet alleen in de wijk, in haast heel Breda! Iedereen kende de
paterskerk in de Schorsmolenstraat en het naastgelegen gebouw van Fidelius waar de jeugd werd opgevangen en waar ook, naar ik
mij stellig herinner, regelmatig toneeluitvoeringen werden gegeven. Natuurlijk
van het hele brave soort. Seks en alles wat daarbij hoorde was een vies woord
en naarmate ik me herinner waren het puur kluchten en blijspelen. Geheel in de
visie van de paterskerk. Want het leven was al moeilijk genoeg. Feit is dat die
‘bruine mannen’ in hun lange gewaden een typerend beeld waren in Breda.
Het meest gruwelijke vond ik nog dat er
exemplaren rondliepen in de barre winterkou en dan met open sandalen. Achteraf
vraag je je af waar ligt de grens tussen devotie of wat er voor doorging en
masochisme? Toch waren het veelal aardige kerels en ik geloof oprecht met goede
bedoelingen. Ze stonden veraf van de stijf burgerlijke clerus die het bisdom
vertegenwoordigde en hadden oprecht belangstelling voor de verschoppelingen en
de armen. Want laten we wel wezen, er waren relatief best veel arme mensen in
de wijken die nu Fellenoord en Schorsmolen heten. Ik
herinner me nog de naargeestige aanblik, zeker gedurende de wintermaanden van
de ellenlange Middellaan en Leuvenaarstraat. Sommige huisjes waren amper waard
‘huis’ genoemd te worden. Terugkijkend moet ik concluderen dat het eigenlijk
schande, grote schande was van de toenmalige politieke elite om mensen zo te
laten wonen. Dan vonden ze het nog gek dat velen in de armen gedreven werden
van socialisten of andere bewegingen die in wezen niets anders wilden dan het
beter te krijgen en ook een stukje van ‘de grote dikke vette koek’ te krijgen
en terecht.

Paterskerk en klooster Kapucijnen - Schorsmolenstraat –
Breda
Rijksmonument
(Foto: Kees Wittenbols - 15 mei 2011
https://www.bhic.nl/ontdekken/verhalen/kapucijnenklooster-sint-fidelis-in-breda
Toch, alhoewel ik zelf al lang en breed
overtuigend afstand genomen heb van het instituut Rooms-katholieke kerk,
alhoewel geenszins als ongelovige te boek wil staan, maar wel als onkerkelijk,
kan ik me toch nog wel met de nodige pret de hoogtijdagen van de paterskerk
herinneren. Met name vóór de feestdagen en zeker voor Pasen was het een drukte
‘vanjewelste’ in de paterskerk. Er moest zonodig
gebiecht worden, deed je dat niet dan was het een ‘enkeltje’ hel en gezien van
het feit dat men daar toen nog geen airconditioning had en men alom nog in die
‘broedplaats’ geloofde, liep het storm in de paterskerk.
Wat was ik als kind nieuwsgierig wat menigeen
letterlijk op te biechten had. Als je in de kerk eens een kijkje nam als er
weer eens zonodig gebiecht moest worden dan zag je
dat de biechtstoel van ene pater Justianus, een
grijze oude duif, de absolute ‘topper’ bleek te zijn. De oude en op zich best
beminnelijke man sprak mij als kind natuurlijk niet zo aan, het
leeftijdsverschil was zó groot dat je er niet aan dacht daar aan te schuiven.
Maar mijn nieuwsgierigheid ging het toch winnen en aldra kwam ik erachter. Wat
je ook opbiechtte, bij deze ‘brave borst’ die mijns inziens ook dikwijls zat te
dutten tijdens het biechthoren (wie kon hem dat
kwalijk nemen?). Je penitentie, je zogenaamde boete was altijd gelijk. Wat je
ook ‘uitgevreten’ had! Het was ‘strijk en zet:’ “drie onze vaders en drie wees gegroetjes.” Ik kende boefjes en boeven die ook altijd in
één ‘streep’ naar de biechtstoel van Justianus
liepen, puur in de wetenschap dat ze er met die 6 schietgebedjes afkwamen en
geen kruisweg hoefde te gaan lopen of iets dergelijks.
De biechtstoel van bijvoorbeeld de pater
Gardiaan, de overste, was duidelijk minder in zwang. Deze man was dan ook
stukken en stukken strenger. Dan herinner ik me nog ene pater Simeon, een
vrolijke vent, maar ‘verdikkeme’ die wist waar ‘Abraham de mosterd haalde’ en
die kon je geen ‘knollen voor citroenen verkopen.’ Die wist best wat ‘doktertje
spelen’ betekende. Je mocht toch aannemen dat hij geen enkele ervaring in dit
soort frivole zaken zou hebben? Dus dat was ook geen optie. Dan kende ik nog
ene pater Blasius, ook niet helemaal van ‘gisteren’ en die viel dus ook af.
Zodoende gingen wij, de jeugd van de Oranjeboomstraat dan ook in groten getale,
toen we ‘er’ nog aan deden, naar de oude en bejaarde pater Justianus.
Het wachten was de moeite waard én het had het
grote voordeel als je zo'n kapelaan van je eigen kerk zag fietsen dat hij
tenminste lekker van niks wist wat je zo allemaal ‘uitgevreten’ had. Want je
wist maar nooit! Toch waren ze ook best een beetje eng. Ik herinner me nog dat
een pater was overleden, de man was gestorven aan kanker. Ik kende hem wel maar
door zijn lange ziek zijn had ik hem al een poos niet meer gezien. Toen hij was
overleden was het mogelijk afscheid te nemen van de goede man. Rare bewoording
eigenlijk, want dat afscheid nemen doe je van een mens en niet van een
stoffelijk omhulsel, wat geen mens meer is, maar dat tot daar aan toe. Als kind
schoof je aan in de rij om nieuwsgierig in de sombere en sobere houten kist te
kijken. Daar lag het uitgemergelde lichaam van wat ooit een vrolijke pater was
geweest. De capuchon over zijn hoofd zodat dat hoofd nog magerder en akeliger
uitkwam. Dan de gedempte verlichting met kaarsen, dat maakte het beeld wel heel
erg spookachtig en ik weet nog goed dat dit beeld me dagenlang achtervolgd
heeft. Tja, een tijdsbeeld. Maar of dat nou zo goed was dat wil ik toch ook
betwijfelen. Feit is dat die paterskerk een groot stempel gedrukt heeft op de
omgeving en naar mijn beleving de betere kant van het instituut Rooms-katholieke
kerk heeft laten zien.
Silvia Videler
September 2006